Een van de leukste bijkomstigheden aan het uitspreken van onze kinderwens is dat mensen verhalen over hun eigen kinderen gaan vertellen. En niet de mooie, fijne verhalen, als ‘Pietje kon toen hij drie maanden was al Mozart meespelen op de viool’ of zo. Nee, de échte verhalen van het ouderschap.
Zo vertelde een vriendin laatst dat toen haar jongste een woedeaanval had ze tot haar grote schaamte het kleine engeltje in de tuin had laten uitrazen. Met rode oren van genot luisterde ik hoe de hele scene zich had ontvouwd, met dus een aria op de glijbaan als afsluiting.
Een ander vertelde met heel veel blikken en blozen dat ze soms haar kinderen enge films laat kijken zodat ze kan zeggen dat het monster ze komt halen als ze niet op tijd naar bed gaan/hun bord leegeten/hun huiswerk maken. Natuurlijk ook heel erg. Erg gehaaid ook.
Of iemand die liet weten te genieten van kinderen die ziek thuis moeten blijven. Niet op een ziekelijke manier, geen münchhausen by proxy taferelen hoor, gelukkig. Nee, gewoon dat áls het dan een keer gebeurd ze dan zelf ook thuis mag blijven van werk. Kind in bed en even lekker overdag tv kijken, joe joe.
En er zal een tijd zijn geweest dat ik zou hebben gedacht ‘nou echt!? Dat zou toch niet mogen als ouder zijnde, schande!’. Gewoon lekker meteen het oordeel in zonder me ook maar een seconde te verplaatsen in de ouder. Maar de schoonheid van het roze ouderschap is dat we héél veel tijd hebben om ons in te lezen. En dus ook héél veel tijd om op te passen op neefjes/nichtjes/buurkinderen. En begrijp me niet verkeerd, ik HOU van het oppassen. Je kan me echt niet gelukkiger maken dan door kinderen los te laten in ons huis en te verwachten dat ik er voor zorg. Met liefde zelfs! Maar ik heb dat oppassen inmiddels vaak genoeg met plezier toegezegd om te weten dat die in dit geval moeders heiligen zijn.
Dat ze zich schamen voor hun foefjes en uitlatingen laat namelijk zien dat die trucjes zelden worden gebruikt. Dat ze dus de rest van de tijd wel het geduld hebben om op hun tong te bijten, de innerlijke rust weten te vinden om voor de duizendste keer de “engeltjes” terug in bed te leggen. Na een weekend oppassen weiger ik de naam ‘Peppa’ nog te fluisteren, terwijl bij het afzetten van de kinderen papa deze vrolijk voor de jongste aanzet. Voor de honderdste keer. DIE WEEK!
Wat ik dus zeg, heiligen, allemaal, stuk voor stuk. Ik kan niet wachten tot ik ons dat aureooltje ook kan toekennen.